Geschiedenis

De voorgeschiedenis

In de tijd van de heerlijkheid Deurne en Liessel had de heer van Deurne een windmolen en een watermolen in zijn gebied staan. De watermolen stond en staat nog naast het Klein Kasteel op het Haageind in Deurne en de windmolen stond lange tijd achter in de St. Jozefparochie op de hei en werd daarom wel de Heimolen genoemd. Deze laatste molen was een standerdmolen, zoals bijna alle windmolens in die tijd in onze omgeving en stond redelijk centraal voor zowel de boeren van Deurne als die van Liessel. Verschillende leden van de later in Liessel woonachtige familie Hikspoors waren daar in de zeventiende eeuw molenaar. Eeuwenlang was de maalcapaciteit van beide molens voldoende om de bevolking van Deurne en Liessel van meel te voorzien.

Met het opheffen van de oude heerlijkheid en de toename van de bevolking veranderde de situatie rond 1800. Er ontstond behoefte aan meer maalcapaciteit en bovendien aan geslagen olie. In het begin van de negentiende eeuw kwamen er in Deurne zelf verschillende molens bij. Dat was in de vorm van een door een paard aangedreven rosmolen op de hoek van de tegenwoordige Stationsstraat/Aaltje Noordewier-Reddingiussstraat, een windmolen in de later daarnaar genoemde Molenstraat en nog een rosmolen in de huidige Derpsestraat. Deze laatste was een oliemolen en werd in 1825 opgericht door de uit St. Oedenrode afkomstige 'olyslager' Godefridus van Hombergh.

Voorgangers in Liessel

Tot dan toe had Liessel nog geen eigen molen. Dat veranderde in 1844 toen Jan Francis van Hombergh, de oudste zoon van de zojuist genoemde Godefridus van Hombergh, 'een nuwe olymolen tot Liessel' had laten zetten, zoals de Liesselse kroniekschrijver Jan Goort Hoeben het noteerde. Uit de aanvullende opmerking 'en hij heeft zeer veel werk' blijkt dat daaraan in Liessel toen bijzondere behoefte bestond. Deze molen was een rosmolen, waarbij de kollergangstenen niet alleen benut werden om het zaad te pletten voordat het tot olie geperst werd, maar bovendien om gerst te pellen. Volgens de Patentregisters was Jan Francis van Hombergh officieel olieslager, gerstpelmolenaar en bovendien tapper ofwel herbergier.Zijn jongere broer Johannes van Hombergh, die in 1844 in Vlierden de nog bestaande molen had laten bouwen maar er weldra vanaf wilde, vestigde zich ook in Liessel en was daar winkelier en broodbakker. In het Patentregister van 1857 stond verder bij hem vermeld 'korenmolenaar met een rosmolen bewogen wordende door een paard of os'. Vermoedelijk was dat vooral voor eigen gerief.

Dat in Liessel de loop van de negentiende eeuw behoefte ontstond aan meer maalcapaciteit valt voor het eerst duidelijk op te maken uit het in 1865 bij het gemeentebestuur ingediende verzoek om daar een windmolen op te mogen richten. In eerste instantie werd afwijzend op die vraag gereageerd, maar het jaar daarop is deze er toch gekomen. Dit had tot gevolg dat de Heimolen achter in de tegenwoordige St. Jozefparochie (op hoek Heimolenweg/Molenwijerweg) voortaan erg afgelegen stond, waarop deze in 1869 naar Deurne bij de Liesselse overweg werd verplaatst. Daar heeft deze molen tot 1944 gestaan, toen deze door oorlogshandelingen werd vernield. Hij werd in het begin van de twintigste eeuw Rachels' molen genoemd naar molenaar-eigenaar Rakels.

De windmolen in Liessel werd in 1866 gebouwd in opdracht van de in Hoogeloon geboren Johannes der Kinderen als stenen grondzeiler om graan mee te malen. Deze kwam te staan aan de noordwestzijde van het dorp op een perceel grond genaamd de Eikelhof in de bocht halverwege de huidige Oude Molenweg. Kort daarop kreeg hij ook nog toestemming bij de molen een huisje te mogen bouwen. Zijn oudere broer Gerardus der Kinderen werd na het verplaatsen mulder op de Heimolen aan de Liesselseweg, maar omdat hij een slecht betaler bleek te zijn is hij dat niet lang gebleven. Hij heeft daarna nog geruime tijd als landbouwer in Liessel gewoond. Johannes der Kinderen werd in die tijd wel als molenaar te Liessel aangeduid, maar is dat niet lang gebleven. Al in 1868, dus twee jaar na de oprichting van de molen, probeerde hij deze al te verkopen, omdat hij in Zeelst ook al een molen had gekocht.

Molenaar Theodorus Verbeek uit Stiphout zette bij de openbare verkoop in voor 3.500 gulden, maar de verkoop werd opgehouden. Daarop verpachtte de eigenaar de molen dan maar. Dat was in het begin aan de uit Blerick afkomstige mulder johannes Francis Beusen voor 350 gulden per jaar. De intussen naar Zeelst verhuisde Johannes der Kinderen raakte daarna in financiële problemen en in 1880 was zijn weduwe gedwongen de molen openbaar te verkopen. Voor een bedrag van 3.610 gulden werd Johannes Hubertus Gitzels de nieuwe eigenaar van wat aangeduid werd als stenen wind-graanmolen met huizing, erf, tuin en aangelag. Deze molenaar was afkomstig uit Venraij, waar hij in 1855 de nog bestaande St. Petrus molen had laten bouwen, bekend als Gitzels' molen. Trouwens ook in Asten heeft vroeger aan de Logtenstraat een Gitzels' molen gestaan, genoemd naar molenaar-eigenaar Gerardus Gitzels uit datzelfde geslacht.

Omdat de molen in Liessel kennelijk toch te vaak te weinig wind ving om goed te kunnen werken, werd deze in 1893 een flink stuk verhoogd en van een berg ofwel belt voorzien. Naast graanmolen is hij op een gegeven ogenblik ook oliemolen geworden en mogelijk is dat toen geweest. Die verbouwing bleek geen echt succes te zijn en toen zoon Peter Gitzels in 1902 zijn vader als eigenaar opvolgde pakte hij het anders aan, door aan de andere kant van het dorp een geheel nieuwe windgraanmolen op te richten.

De oude molen, ook later als zodanig steeds aangeduid en het daarbij gelegen huisje bleef nog eigendom van de familie Gitzels, waarbij de molen nog tot ongeveer 1930 als oliemolen in gebruik is gebleven. Daarna kwam deze stil te staan, verviel geleidelijk en uiteindelijk liet de in 1948 eigenaar geworden Willem Friesen in 1968 de laatste resten slopen. De kollergangstenen van de oliemolen werden door sloper Jan Sleegers meegenomen om dienst te doen aan Hazeldonkseweg 2 als versiering van de inrit.

Molen De Volksvriend

Op 30 december 1902 vroeg Peter Mathijs Gitzels officieel vergunning aan om aan wat toen de Schoolstraat heette (nu Hoofdstraat) een nieuwe ronde stenen bergmolen op te mogen richten. Nadat de toestemming er gekomen was werd weldra aan de bouw begonnen. Daaraan herinnert de sluitsteen boven de inrijpoort met inscriptie PAF. Gitzels 19 15/4 03. De molen werd gebouwd door H. Wijnhoven uit Venray. Het metselwerk werd door Fa. Poels ook uit Venray uitgevoerd. De aanleg van de berg kostte destijds 26 gulden en werd uitgevoerd door Jos van der Laak met zand afkomstig van het Hoogveld achter de Hoofdstraat. Het echte werk werd gedaan door een groep peelwerkers.

Daarmee is deze molen relatief jong en is een van de laatste geweest die als windmolen nieuw gebouwd werd. In die tijd was men al op grote schaal aan het overschakelen op door stoommachines aangedreven maalderijen, zoals alleen al in de toenmalige gemeente Deurne en Liessel in 1885 in Deurne, in 1891 in de Neerkant en in 1896 in Helenaveen. Molenaar Gitzels woonde niet zelf bij de molen, maar midden in het dorp aan de toenmalige Schoolstraat 2 schuin tegenover de nieuwe kerk, waar de familie ook een bakkerij had. Op 27 mei 1919 verkoopt P.M. Gitzels de molen aan zijn zoon P.A.F. Gitzels. Lange tijd was Johan Vullings als molenaarsknecht in dienst, die in september 1944 in Deurne door granaatsplinters dodelijk getroffen werd.

Op de achterzijde van een anzichtkaart uit 1930 meldt Chr. van Bussel dat in 1928 het gehele wiekenkruis van de molen is gevallen. In het eind van de jaren twintig begon men met het moderniseren van de molen met de aanschaf van een door een benzine-motor aangedreven gemaal, die onder in de molen kwam te staan. De familie Gitzels bleef daarnaast toch tot in de Tweede Wereldoorlog volop op De Volksvriend op windkracht malen met twee koppels stenen. Om er nog beter mee te kunnen werken werden de wieken op het eind van de jaren dertig gestroomlijnd volgens het Van Bussel-systeem. Als aan de molen groot onderhoud verricht moest worden werd daarbij molenmaker Kupke Holten uit Baarlo ingeschakeld. Ook Huub van Doorne werd er nog wel eens bijgehaald, bijvoorbeeld als er problemen waren met de motor. Gemalen werd voornamelijk voor de boeren rond Liessel en ook een tijd voor de Liesselse Boerenbond, waarmee overigens een gespannen verhouding bestond. In het begin van de jaren veertig werd voor één gulden per honderd kilo gemalen.

In het najaar van 1944 had Liessel zwaar te lijden van de oorlog, waarbij nagenoeg alle gebouwen en ook de kerk beschadigd werden. Vanwege de grote schade aan hun huizen moest een groot aantal bewoners van Liessel hun huis verlaten. De familie Joosten mocht op 19 september 1944, met toestemming van de Engelse commandant, de molen betrekken. Zij hebben ongeveer een week onderin de molen gebivakeerd, waardoor de molen heel even een woonbestemming heeft gekend.

Ook de molen werd niet gespaard en was vanaf de meelzolder ernstig beschadigd. De molen werd ook nog bloot gesteld aan natuurgeweld, want ruim een jaar later werd in de "Deurnesche Courant" van 4 januari 1946 het volgende bericht geplaatst in het plaatselijke nieuws: " - Stormschade - Vrijdag j.l. waaide de kap, de zware as en de wieken van P. Gitzels' molen". De molen verloor nadat er ernstige schade was ontstaan door oorlogsgeweld ook nog de kap met inhoud en het gevlucht.

Omdat mulder Peter A.F. Gitzels geen opvolger had zag hij af van herstel van de molen en verkocht uiteindelijk in 1946 wat er nog van over was aan de gebroeders van Deursen uit Vlierden. Deze kochten de molen om een eventuele concurrent voor te blijven. Aannemer Manders werd ingeschakeld voor het herstel van het metselwerk. Hiervan is nog bewijs aanwezig in de toog van één van de bergdeuren, waarin gekrast staat LM 6-6-46. De molenmakers Huub en Sjors Adriaens uit Weert werden aangenomen voor de reparatie van de molen zelf. Daarbij werden verschillende onderdelen zoals het grote aswiel en de wieken gebruikt van een molen uit Bergeijk, die toch gesloopt werd. De restauratie werd uit eigen middelen van de gebroeders van Deursen bekostigd, waarbij de molen zou worden uitgevoerd met de wiekverbetering "van Bussel". Omdat fondsen vanuit "wederopbouw" achterwege bleven werd de molen uiteindelijk niet compleet hersteld en kon deze niet meer als windmolen worden benut (bron: Bezoekverslag A.J. de Koning, oktober 1947). De wieken van de molen hebben daarom tot 1970 geen voorzoom gehad, wat op diverse foto's uit die periode is te zien. In de plaats daarvan maalde de familie van Deursen onder in de molen met een door een brandstofmotor aangedreven maalstoel, later is deze brandstofmotor vervangen door een elektrische aandrijving. De maalstoel stond onder de trap naar de meelzolder, terwijl de aandrijving in de achterste invaart stond. Vanwege het stof moest bij het draaien van de maalstoel het raam aan de achterzijde worden geopend. In die tijd had de molen geen poort in de achterste invaart, maar een deur en twee ramen. Ook heeft onder in de molen, vlak voor de trap naar de meelzolder, een hamermolen gestaan met een stortrooster en een kleine elevator. Met de maalstoel en hamermolen werd slechts een gedeelte van de tijd gewerkt en niet veel later bleek het bedrijf niet meer rendabel te zijn.

Een paar jaar later, op 24 november 1966, verkocht Louw van Deursen de molen voor 45.000 gulden aan de gemeente, die op zich nam deze geheel te restaureren. Terwijl de kosten daarvan in 1962 nog op 17.700 gulden geraamd werden, taxeerde molenmakersbedrijf Adriaens uit Weert dat in 1966 al op 30.000 gulden zonder het metselwerk en uiteindelijk kwam dat in 1970 in werkelijkheid uit op totaal ruim 60.000 gulden. Op 5 mei 1967 werd de molen ingeschreven bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed als rijksmonument onder monumentnummer 12375.

Sinds die tijd wordt op de molen gewerkt door vrijwillige molenaars. In 1988 heeft Cor Rakels de deur en de twee ramen in de achterste invaart vervangen door twee poortdeuren. Tussendoor werd in 1996 en 2010 aan de molen grondige restauraties uitgevoerd, waarbij molenmakersbedrijf Adriaens diverse onderdelen moest vervangen, zoals de staart, schoren, spruiten, wieken, diverse wielen en rondsels. Daarnaast verrichtten vrijwilligers ook zelf werkzaamheden, zoals het aanbrengen van een toilet onder in de molenberg.